19-2000f

In de zomer van 1999 reisde ik met een vriendin door Marokko. Twee grote blonde meisjes zonder al te veel reiservaring, maar zo tolerant en multicultureel. Twee weken en honderden al te gretige handen later konden we geen man meer zien. In Marrakesh sliepen we, zoals in alle steden, op het platte dak van een hotel. En toen zag ik hem. Mijn Fransman. De eerste en enige coup de foudre uit mijn leven. Hij had net twee weken door het Toebkalgebergte getrokken en stonk naar ezel. Ik had het kunnen weten.

Wat handig, ik ben net de kippen aan het slachten, ze kan helpen met de beestjes te pluimen.” Mijn liefde vertelt aan zijn oma dat hij zijn nieuwe vriendin heeft meegebracht om haar voor te stellen aan zijn ouders. Grote stilte aan de telefoon. De nieuwe vriendin pluimt geen kippen. De nieuwe vriendin is een stadsmeisje.

Het Normandische platteland. Ik had geen idee. Koeien en appelbomen. Uitgestrekte velden. In de verste verte geen stad de naam waardig te ontdekken. Mijn “schoonouders” stonden elke dag om 6 uur ’s ochtends op. Er was immers altijd werk. En hoe groot mijn drang ook was om hen te behagen, dat ontwaken bij het krieken van de dag, dat kon ik echt niet opbrengen. Soms, op een luie zondag, bleven hun zoon en ik wel eens tot 9 uur in bed liggen. Een rebelse daad onder de verderfelijke invloed van een stadsmeisje.

In september werden alle krachten gebundeld om de cider voor het volgende jaar te brouwen. Zijn grootouders behoorden zelfs nog tot de laatste overlevenden die hun eigen calvados mochten maken. En na elke maaltijd werd de camembert bovengehaald. Globalisme heeft geen effect op de Franse plattelandskeuken. Je moet daar niet plots met feta aanzetten. Het leven is zo al dol genoeg.

In zijn moeders wereldbeeld bestonden er twee soorten mensen: de intellectuelen (het hoofd) en de manuelen (de handen). Ik was de ultieme bevestiging van haar theorie: een in het huishouden volledig waardeloos meisje dat prima resultaten op school behaalde. Vijf jaar lang heb ik haar in de waan gelaten dat ik geen rijbewijs had. Kwestie van haar wereldbeeld niet onderste boven te halen. Meisjes zoals ik, die konden niet rijden, dat hoorde zo. Zolang ze me maar niet opdroeg een konijn te vellen of sokken te stoppen, vond ik het allemaal best.

Haar man had haar voor haar verjaardag een elektrisch vleesmes cadeau gedaan en Blandine was daar erg blij mee. Een half uur lang had ze me uitvoerig uit de doeken gedaan tot welke uitmuntende snijprestaties dit mes in staat was. Ik had braaf geluisterd en geknikt. In de auto gilde ik verontwaardigd in het oor van mijn lief: “Ze was er blij mee!!! Met een elektrisch vleesmes. Dat kan toch niet, dat hoort niet, dat mag niet!” Dit gesprek hadden hij en ik al duizenden keren gevoerd. Het ging over zijn plattelandsvrienden. Ik vond ze meestal saai, burgerlijk en verstoken van elke vorm van emancipatie. Hij vond me kortzichtig en bekrompen. Hij verweet me dat ik me alleen maar omringde met gelijkgezinden (lees: gecultiveerde stedelingen), dat ik neerkeek op mensen met andere interesses en levensstijlen. “En bovendien”, voegde hij er dan steeds aan toe, “zijn ze waarschijnlijk gelukkiger dan jij want makkelijker tevreden met minder”.

Opgroeien op het Normandische platteland laat zijn sporen na. Het had van mijn lief een natuurmens gemaakt. Hij kende alle planten, vogels en insecten bij naam. Dwaalde ganse dagen door het druilerige bos en kwam ’s avonds terug met zijn schatten: champignons, takken, dierenskeletten. Keek louter en alleen naar natuurdocumentaires. Verafschuwde de stad, haar drukte, haar schone schijn, haar gebrek aan authenticiteit. Het ijle zoeken naar hip en trendy. De behaagzucht. De zelfgenoegzame oppervlakkigheid.

Om professionele redenen woonde hij in Parijs. De ultieme stad. Zijn hel. Mijn paradijs. Om het leven draaglijk te maken trok hij elke vakantie de wilde natuur in, bij voorkeur in het hoge noorden met een verliefd stadsmeisje aan zijn zijde. Zo voeren we samen per kano op Canadese meren, doorkruisten we het Roemeense Retezatgebergte, daalden we drie rivieren af in Polen, klommen we langs Ierse kliffen, en trokken we drie weken door het desolate Lapland.

Naast de wilde natuur, kende mijn liefde nog een andere passie: fysieke afmatting. Je lichaam tot het uiterste drijven. Hij speelde rugby op een hoog niveau. En ook onze vakanties waren gericht op Spartaans afzien. Een rugzak met het hoogst noodzakelijk (wat kleding, gedroogd voedsel, tent en één boek voor mij). Back to the roots. Je lichaam ontgiften. Je weerstand verhogen.

Ik heb nachten niet geslapen van de kou. Dagen lang door regen en wind mijn rugzak de berg opgesleept. Als een krankzinnige gekrijst na de zoveelste muggenaanval. Stiekem eten gepikt uit onze voorraad omdat de honger zo knaagde. ’s Nachts de tent moeten verplaatsen omdat ze tijdens een heftige stortbui onder water liep. En altijd weer die sussende woorden: « Ma chérie, il faut accepter les élements de la nature ».

En toch heb ik nog geen seconde spijt gehad van die waanzinnige reizen. Levenservaring heet dat. Het poppemieke van weleer is veel van haar streken verloren. Maar het is in hart en nieren een stadsmeisje gebleven. Ik hou nog steeds hartstochtelijk van alles wat hij verafschuwde: de stad en haar behaaglijke weelde.

Vandaag doe ik wat ik wil. Ik ben van stad gewisseld en geniet mateloos van alles wat Brussel te bieden heeft. Ik loop voortdurend haar bewoners te begluren (vanuit mijn raam, op de tram) en als het regent, schuil ik gewoon. De stad: het ideale speelterrein voor rusteloze meisjes die wellicht nooit tevreden zullen zijn met een elektrisch vleesmes.