mf480

Het Frans is een prachtige taal. Elegant. Rokerig. Gewichtig en geil à la fois. Soms benepen, dan weer opzwepend. Ik spreek haar graag want vloeiend. Met Parijse allures en de nodige Antwerpse jàre. Achter deze passie gaat geen mysterie noch een taalbad in Spa schuil. Wel vijf jaar een Frans lief. Twee jaar flaneren in de lichtstad. En vele avonden met Brel.

Maar het Nederlands blijft mijn enige ware liefde. De enige taal die ik echt beheers, die me toelaat met haar woorden te spelen. Ik ken haar door en door, dat schept vertrouwen. Ik hou oprecht van het Nederlands, loop soms intens te genieten van haar klanken, haar subtiliteit, haar woordenschat, vaak zo juist gekozen (fluweel hoort toch gewoon met een fluisterende ‘f’en een zwoele ‘w’ in het midden). Ik vergeef haar zonder moeite haar mindere woorden.

In Parijs kon ik ongegeneerd flirten met het Frans, in Brussel is het meer een geheime minnaar. Hier is taal immers nooit onschuldig. Je bent wat je spreekt. Je kiest eerst je taal en dan pas je woorden. En je eet vooral niet openlijk van twee walletjes.

In deze stad dragen mijn twee favoriete talen een geladen verleden mee, de littekens van een harde strijd. Mijn moedertaal werd hier bespot en verdreven. Vandaag wordt het Nederlands in Brussel wel weer geduld, meer nog, het is een gegeerde taal geworden, zo blijkt uit de overvolle Nederlandstalige scholen en taalcursussen. Maar de wonden zijn nog lang niet geheeld. En af en toe scheuren ze weer open.

Maar ik weiger in hokjes te denken, voor mij geen wij en zij. Ik breng mijn avonden veel liever door aan de zijde van een Franstalige beau met hersenen en boeiende verhalen dan aan die van een bekrompen, zeurderige Vlaming. Taalvrijheid: spreken met wie je wil. Arrogante Franstaligen die mijn taal beschimpen van weerwoord dienen. Lieve woordjes fluisteren in een Nederlandstalig oor. Ik heb makkelijk praten. Beide talen zijn mij eigen: ik kan kiezen.

Toch erger ik me. Aan het schabouwelijk Nederlands in het gemeenteblad. Aan de ambtenaar die me duidelijk met tegenzin in gebrekkig Nederlands te woord staat. Aan de vrouw in de krantenwinkel die geen “goedemiddag” noch “dank u” over haar lippen krijgt. Aan het lange zoeken en niet vinden van een Nederlandstalige dokter in de buurt. Aan de zoveelste discussie met een Franstalige die “het nut” van Nederlands leren niet inziet. Aan mezelf omdat ik –uit gemakzucht- te snel overschakel op het Frans. Aan de Franstalige verwaandheid, hun kortzichtigheid. Aan Vlamingen die zich al te makkelijk wentelen in een slachtofferrol.

Nederlandstalig zijn in Brussel is immers geen lijdensweg, integendeel. We zijn een minderheid, certes, maar wel een bevoorrechte minderheid: met een gratis stadsblad, een fantastische radiozender, en vooral: een enorm rijk cultureel aanbod. Zoveel optredens, zoveel tentoonstellingen, altijd, overal, van alles en iedereen. Onze theaters voeden zich met de stad die hen omringt. Brussel en Bruxelles lopen steeds vaker in elkaar over tot een bonte mengelmoes. En zo hoort het. Theater dat als spiegel van de samenleving ogen opent en geesten verruimt. Als je je verloren voelt in deze stad, kan je altijd in een Nederlandstalig café schuilen. Ben je in een iets avontuurlijkere bui, dan verlaat je het dorp en ga je vreemd: bij de Portugezen, de Kongolezen …

Het Frans is in Brussel de voertaal geworden, dat kan niemand ontkennen. Maar 50 % van de bevolking spreekt naast Frans nog een andere taal. Brussel is de stad van Babel geworden. De enige groep die echt bedreigd wordt in deze stad zijn de bewust ééntaligen, zij die halsstarrig hun eigen taal boven die van de ander blijven plaatsen en niet open staan voor uitwisseling, noch échange. Zij die de andere taal nog steeds als quantité négligable of als een bedreiging zien, nooit als een verrijking. Dat ze de stad mogen ontvluchten. Ze zijn Brussel niet waard.